print
Lezing: White Trash
over het werk van Rinke Nijburg

Intro

In 2010 bestaat Villa De Bank1 in Enschede 25 jaar. Om dit jubileum te vieren nodigt De Bank een aantal oud-exposanten uit om opnieuw een tentoonstelling in te richten. De spits wordt afgebeten door Rinke Nijburg die in december 1988 kort na zijn afstuderen aan de Arnhemse academie zijn eerste solotentoonstelling bij De Bank had. In de tentoonstelling WHITE TRASH CAR ON A WHITE TRASH HILL laat Nijburg, naast enkele werken uit 1988, recente tekeningen en schilderijen zien.

De lezing “White Trach’ werd gehouden naar aanleiding van de opening van de tentoonstelling.

White Trash

Beste mensen,

Rinke heeft me gevraagd iets te zeggen ter introductie van zijn tentoonstelling. Ik wil dit graag doen door even stil te staan en enkele gedachten op te gooien bij een aantal onderwerpen die hij in werken in deze tentoonstelling aan de orde stelt.

Laat ik beginnen bij het begin, door iets te zeggen over het vroege werk.

‘”Het zijn de druppels van bloed, zweet en tranen”; dat is wat ik dacht toe Rinke me wat documentatie toestuurde van de werken die hij hier in deze ruimte, in 1988 als vers afgestudeerd kunstenaar tentoonstelde. Aangezien hij religie – en met name: de prominente plaats en betekenis van het christendom –het meest heikele punten in zijn werk noemt, verwondert een associatie met die veelzeggende lichaamssappen en de hele riedel aan christelijke iconografische associaties die je maar kunt bedenken, wellicht niet.

Tegelijk besefte ik uiteraard dat mijn associatie te maken had met wat ik nu over Rinke Nijburg weet; dat mijn spontane vergelijking tussen dat vroege werk en nu niet los van elkaar kon staan.

Vanuit die gedachte vond ik het interessant om me af te vragen hoe schuldig of onschuldig die druppels toen destijds konden zijn? Rinke’s werken uit de tentoonstelling van 1988, worden onschuldig ‘Zonder Titel’ genoemd. Het zijn als het ware open abstracte vormen die zich er bij uitstek toe lenen om het universum van de kunst te verkennen, zonder zich al te controversieel uit te spreken. Maar gezien met de tegenwoordig mogelijke tijdsafstand is het wel werk wat een prille bron suggereert dat bepalend werd voor het verdere oeuvre van de kunstenaar.

Wat fascineert is dat door de associatie met het latere werk, die vroege schilderijen als het ware hun oorspronkelijke, nog aanwezige open interpretatie, enigszins verliezen. Wat ik bedoel is dat ze voor mij althans – nooit meer die vrijblijvende onschuld zullen hebben, die ze oorspronkelijk wellicht nog hadden.

De druppelschilderijen (zoals ik ze zelf gemakkelijkheidhalve maar ben gaan noemen) hebben iets vergelijkbaar met de vlinderdasschilderijen van Rene Daniels (wat in het begin een belangrijke inspiratiebron was voor Rinke), en ze zijn m.i. ook vergelijkbaar met bijvoorbeeld de target-schilderijen van Jasper Jones in de zin dat de associatieve speculatie van de toeschouwer, voor diens eigen rekening genomen moet worden, hoewel er een sociaal of cultureel appèl wel aanvoelbaar kan zijn. Het werk is enerzijds te abstract en anderzijds te breed qua associatiemogelijkheden om confronterend te zijn.

Maar bij later werk van Rinke Nijburg wordt dat wel anders.

De kunstenaar maakt in 2004 bijvoorbeeld zelf een schietschijfserie, en daarin stelt hij zich veel feller, veel scherper op. Het narratief wordt essentieel en absurdistische zotheid wordt ook steeds belangrijker. Rinke presenteerde de ‘Targetserie’ in 2004 in de Paraplufabriek in Nijmegen, met het verzoek aan de toeschouwers om letterlijk op de schilderijen te schieten. In een tekst die Mirjam Westen enige tijd later schreef, bekent ze dat ze dit toen – vanuit haar professie als museumconservator – bezwaarlijk vond, en het verzoek van de kunstenaar dus niet had ingewilligd2. Ikzelf herinner me ook nog mijn eigen gedachtegang bij het bezoek aan die tentoonstelling van destijds. Eveneens vanuit professionele betrokkenheid (ik ben immers opgeleid als restaurator) stelde ik me toen de vraag wat het pijnlijkste was in dit geval: schieten of niet? Stel dat het publiek unaniem had geweigerd om het verzoek van de kunstenaar in te willigen vanuit een persoonlijke ethische houding ten opzichte van kunst? Zou dan het kunstwerk (of de kunstenaar) tekort zijn gedaan, of zou dit de kunstwerken juist van schade hebben gered? Uiteraard flitst bij zo’n omstandigheid gewillig de gedachte op aan het vandalisme aan meesterwerken, zoals bijvoorbeeld de messteken in Barnett Newmans ‘ Who’s afraid of Red Yellow and Blue’. Maar bij nader inzien is dit in deze context toch een te eenzijdige bedenking; en dus een onterechte vergelijking. Het publiek werd in de tentoonstelling van Rinke Nijburg tenslotte door hemzelf ingezet als instrument. Wij waren het mes dat Fontana hanteerde bij het doorklieven van zijn doek. Door inzet van publiek heeft Nijburg toen destijds in 2004, het mes van Fontana opgezadeld met een collectief geweten. Een geweten dat het wapen parten speelt, en hem doet nadenken over zijn functie in het geheel. Er zijn meerdere opties voor goed en kwaad; macht en zwakte, voor schoonheid en geweld, voor extase en wonde.

Een ander veel voorkomend stigma in het werk van Rinke Nijburg zijn de tatoeages die figuren dragen. Het zijn brandmerkgegevens die het verhaal over het centraal gesteld personage illustreren. Verhalen over de winst en het verlies van een bestaan dat door de kunstenaar uitgetekend wordt. Het lijf van een op de rug geziene figuur staat vol verwijzingen naar een eclectisch geparodieerd drama waar Nijburg het personage mee heeft opgezadeld. De tatoeage symboliseert het ordinaire en het sublieme. De schoonheid en de verminking. De artistieke marteling en euforie tegelijkertijd. De tatoe’s zijn pictogrammen waar hele verhalen achter schuilgaan. Ik citeer ter illustratie daarvan uit het werk ‘Skin Flowers’, (2008):

2. Herodes had een geselaar […] die in een slag een letter kon geselen. Het werd de Z van Zorro [onze poes heet ook Zorro] want Herodes wist dat als hij de A liet maken, Pilatus het goede antwoord meteen zou raden en dan was het spel te makkelijk. Want de A stond voor Ariel, de kleine zeemeermin; dat wist toentertijd zo ongeveer iedereen. […] Toen de geselaar de letter erop had staan […], kon Jezus Zijn kleren weer aandoen en mocht Hij naar Pilatus. Herodes was reuze benieuwd of Pilatus het goed zou raden en welke tekening hij zou maken. Niet dat Pilatus dat zelf deed. Hij had ook een heel getalenteerde tekenaar, etser, een Romein.

3. Pilatus werd ontzettend boos toen het hem niet lukte te raden […]. Het stond nu 1-0 voor Herodes. ‘Ik zal je krijgen,’ dacht Pilatus, en hij gaf de geselaar opdracht van de Z een Davidsster te maken. Jezus stond al klaar. Hij vond het spel steeds minder leuk, maar daar trekt een landvoogd zich niks van aan. Niet iedereen kan elk spel winnen; er moeten ook verliezers zijn anders is er niets aan. De Jodenster mislukte een beetje omdat er een klein extra haakje aan de ster bleef zitten: het eerste streepje van de Z. […]. Herodes bakte er niks van. Van nieuwsgierigheid rukte hij de Heiland zelf de kleren van het lijf. […]

Tot zover deze lezing…

 

De kwelling en de foltering van de kunstenaarsgeest om tot het ultieme kunstwerk te komen, toont aardig wat overeenkomsten met het fenomeen ‘flagellatie’ dat staat voor het ervaren van het lijden van Jezus aan den lijve. Flagellaten waren postmoderne populaire vedetten avant la lettre. Het was als volkse beweging in de 13de 14de eeuw, aanvankelijk een omstreden fenomeen binnen de katholieke kerk, die vond dat het volk alleen via een priester in direct contact met God kon komen. Die zelfkastijding lijkt een masochistische bezigheid, maar in feite is zelfgeseling in die religieuze context een zelfverheffing. Het individu tilt zich door zelfpijniging op naar een spiritueel niveau, naar een extase.

In bepaald opzicht lijkt de kunstenaar hetzelfde te doen.

Over de verwantschap tussen kunst en religie is het laatste woord nog niet gezegd. Menigeen heeft de link gelegd en verklaringen geponeerd. In haar essay: ‘Ik ben een God in ’t diepste van jouw gedachten’3 beschrijft schrijfster en filosofe Particia de Martelaere – (…hoe toepasselijk mag een naam zijn?) – de verwantschap tussen het smachtende, haast pijnlijke verlangen naar god, naar liefde en naar kunst:

Het essay eindigt met de bedenkingen:

Religie, liefde en kunst zijn, elk op zich, mogelijke antwoorden op het onoverkomelijk verlangen essentieel te zijn tegenover de wereld. Maar het enige, althans tijdelijk, afdoende antwoord waar dit verlangen buitensporig is, en tegelijk de twijfel grenzeloos, is kunst. God is de minnaar die, als hij bestond, de meest feilloze garantie zou bieden – maar het is niet zeker of hij bestaat, men moet op zijn bestaan ‘wedden’, zoals Pascal zei. De beminde van vlees en bloed bestaat zeker, maar haar liefde is geen zekerheid. Alleen het kunstwerk is in staat de onbetwijfelbare, onverwoestbare zekerheid te geven van bestaan, én van betekenis (…) te zijn.

…De kunstenaar is narcist die geen risico’s wil nemen. Hij ‘wed’ op zichzelf (…) Maar anderzijds is daar ook de ongehoorde last van het scheppen, de bittere wetenschap dat men alles uit zichzelf moet halen en dat, na de korte extase van de creatieve act, het resultaat onvermijdelijk onbevredigend wordt, een dood ding, een uitgebluste rode vlek…Want als zijn kunstwerk werkelijk levend zou worden, zoals wellicht alle kunstenaars heimelijk wensen, dan zou het ook nee kunnen zeggen en kon hij weer van voren af aan beginnen.

God zwijgt, de geliefde is wisselvallig en het kunstwerk is dood. Dat is de tragiek van de kunstenaar. De kunstenaar is nochtans niet veeleisend, aldus de Martelaere,

Hij wil maar een ding. Het onmogelijke.

Algemene info

Gelegenheid: Opening tentoonstelling Rinke Nijburg / ‘White Trash Car on a White Trash Hill’ Locatie: Villa de Bank / Enschede
Datum: 3 ajnuari 2010
tekst: Andree van de Kerckhove
foto’s: Rinke Nijburg, Chrit Veugen



Voetnoten

  1. Stichting Villa de Bank in Enschede organiseert in ene prachtige villa in het Blijdensteinpark, kwalitatief hoogwaardige tentoonstellingen. Jonge, eigenzinnige kunstenaars uit binnen- en buitenland worden uitgenodigd om in de vier tentoonstellingsruimtes hun presentaties te maken. Het merendeel van de geëxposeerde werken is ook te koop. Elke exposant maakt ook een kunstwerk voor de prentenmap die aan het eind van het seizoen als geschenk aan de donateurs wordt aangeboden.Villa de Bank is een niet-commerciële instelling en wordt financieel ondersteund door onder meer de provincie Overijssel en de gemeente Enschede. Daarnaast zorgen donateurs en sponsors voor aanvullende financiering. []
  2. Bron: ‘Rinke Nijburg – Piercing the Spirits’, pg. 87 []
  3. Gepubliceerd in ‘Een verlangen naar ontroostbaarheid – over leven’, kunst en dood – uitgegeven door J.M. Meulenhoff bv, Amsterdam []